Vlaams minister van Cultuur Caroline Gennez heeft midden vorig jaar drie nieuwe erfgoedelementen toegevoegd aan de ‘Inventaris Vlaanderen voor het Immaterieel Cultureel Erfgoed’. Naast de broodcultuur en het gebruik van braille kreeg daardoor ook de diamantbewerking een officiële erfgoederkenning. Een belangrijke stap voor de sector, die diep geworteld is in de Antwerpse geschiedenis en die in landelijke gemeenten zoals Nijlen en Vlimmeren ooit duizenden mensen tewerkstelde.
Indertijd verdienden in Vlimmeren meer dan 200 gezinnen met diamantslijpen de kost! Lang vervlogen tijden die nooit meer weerkeren, maar die wel nog de moeite waard zijn om nog even in herinnering te brengen. In het jaarboek XXXV (2013) van De Vlierbes kunt u in een lijvig artikel van 28 pagina’s van de hand van Marleen Smans alles vernemen over twee Vlimmerse slijpers die we als ambassadeurs van hun beroep mogen beschouwen. Eddy Van Praag uit Nijlen, die zelf 53 jaar diamantslijper was en nu gidst in het Kempens Diamantcentrum in Nijlen, licht het belang van zijn beroep toe: “Veel mensen denken dat diamanten door machines worden geslepen, maar niets is minder waar. Het is nog altijd handwerk. Zelfs vandaag nog zetten we het steentje manueel in de tang, kijken we of het hoekje goed ligt en werken we met een tolerantie van amper 0,03 graden. Dat is millimeterwerk. Het blijft een creatief beroep: je bent als het ware een kunstenaar.”
De Vlaamse diamantbewerking heeft een rijk verleden. De techniek werd in de 15de eeuw in Brugge geïntroduceerd met een roterende schijf en diamantpoeder, een methode die vandaag nog steeds de basis vormt. In de 16de eeuw verhuisde de sector naar Antwerpen, dat uitgroeide tot het wereldcentrum van de diamant. In de 20ste eeuw breidde de nijverheid zich verder uit naar de Kempen, waar vooral Nijlen een belangrijke rol speelde.
Jan Eduard Claes
“In 1885 vestigde Jan Eduard Claes, een Antwerpse slijper, zich in Nijlen”, vertelt Van Praag. “Zijn kinderen waren ziek door de luchtvervuiling in de stad en dus trok hij naar het platteland. In Nijlen begon hij zelf diamanten te slijpen en al snel groeide zijn voorbeeld uit tot een ware industrie. Op een paar jaar tijd telde het dorp honderden slijpers en even later zelfs tienduizend.” Dat bracht niet alleen werkgelegenheid, maar ook een geheel eigen cultuur met zich mee. “De mensen werkten per stuk en vaak dag en nacht. De joodse gemeenschap in Antwerpen, die de sector toen grotendeels controleerde, gaf de slijpers in de Kempen geen statuut. Daardoor werden we door de buitenwereld vaak als zwartwerkers gezien. Nochtans werkten we hard en eerlijk.” Ook de overheid erkende de Kempense slijpers lange tijd niet.
Statuut
“In de jaren zestig en zeventig werd het alleen maar erger: we werden gecontroleerd door de rijkswacht en soms zelfs aangegeven bij de staatsveiligheid. We zouden een gevaar voor de samenleving zijn.” Van Praag herinnert zich nog levendig hoe streng het beleid toen was. “Op een dag was ik een kruisje vergeten te zetten in een boek. Een uur later zat ik in de gevangenis in Mechelen. Na een week lieten ze me vrij, maar ik moest wel 40.000 Belgische frank boete betalen.”
“Ze hebben nooit of te nimmer de joodse gemeenschap aangesproken om ons een degelijk statuut te geven. Als dat toen gebeurd zou zijn, dan was het in Nijlen nog altijd een industrie geweest die 10.000 mensen zou tewerkstellen. En zo zijn de hele plaatselijke nijverheid en onze knowhow verloren gegaan. Ik vind dat geweldig jammer.” Vandaag zijn er in Nijlen geen actieve slijpers meer. In Antwerpen werken volgens Van Praag nog zo’n zestig vakmensen. “Alle kennis is naar het buitenland vertrokken”, zegt hij. “Het is vergane glorie.”
Prachtig beroep
Naast de teloorgang van de ambachtelijke sector waarschuwt Van Praag voor een andere bedreiging: de opkomst van synthetische, zogenoemde “lab grown”-diamanten. “Die worden geproduceerd in laboratoria en zijn quasi niet te onderscheiden van echte, natuurlijke stenen.” De productie van synthetische diamanten begon zo’n dertig jaar geleden in Rusland. “Toen werd afgesproken dat ze altijd een gelige kleur moesten hebben. Maar een Chinese technicus nam de kennis mee naar China. Vandaag staan daar honderdduizenden machines en ze gebruiken die kleurstof niet meer. Dat is het probleem van de echte diamant, want een “lab grown” kost bijna niks. Onlangs was er een beurs in Amerika. Als je daar een certificaat kocht, kreeg je de steen erbij, gewoon gratis. Zo’n certificaat kost 150 dollar.”
Volgens Van Praag is het verschil zelfs voor specialisten amper te zien. “Ik heb ze zelf geslepen: je voelt geen verschil. En dat maakt het gevaarlijk. Er zijn fabrieken waar honderden mensen echte diamanten slijpen en evenveel die aan “lab grown” werken. Op het einde van de week wordt alles samen gegooid.” Toch gloort er hoop. Dankzij de erkenning als immaterieel erfgoed komt er opnieuw aandacht voor de rijke geschiedenis en het vakmanschap van de diamantbewerking.
Wie het van dichtbij wil beleven, kan terecht in musea zoals het DIVA in Antwerpen, het Diamantmuseum in Brugge, het Diamantmuseum in HalleZoersel en het Kempens Diamantcentrum in Nijlen. “Mensen zijn altijd verwonderd als ik hen uitleg hoe het slijpen in zijn werk gaat”, zegt Van Praag, die gidsbeurten geeft in het Kempisch Diamantcentrum in Nijlen. “Je voelt de bewondering en het respect. En dat doet deugd. Want het is en blijft een prachtig ambacht.”